Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplichtigheid aan medeplegen van witwassen van een bedrag van €3.248.865 door onder meer met een auto vooruit te rijden en de omgeving te verkennen. In eerste aanleg was de verdachte vrijgesproken. De Hoge Raad beoordeelde in cassatie diverse klachten over de bewijsvoering en motivering, maar verwierp deze.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en het arrest meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd uitgesproken. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en stelde deze vast op 23 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot 23 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.