De verdachte verbleef sinds 8 december 2022 op basis van een rechterlijke machtiging in een forensisch psychiatrische kliniek. Op 14 december 2022 verzette hij zich hevig tegen het toedienen van dwangmedicatie in de separeerruimte, waarbij hij medewerkers sloeg, krabde, trapte en beet. Tijdens dit incident uitte hij doodsbedreigingen zoals “ik ga jullie één voor één vermoorden” en “morgen pak ik jullie allemaal”.
De medewerkers voelden zich hierdoor bedreigd en vreesden terecht voor hun leven of zwaar lichamelijk letsel. Het hof oordeelde dat deze vrees redelijk was gezien de agressieve gedragingen en bedreigingen van de verdachte, ondanks zijn verblijf in de kliniek en psychiatrische toestand. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de verdachte.
De Hoge Raad benadrukte dat voor een veroordeling wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven of zware mishandeling vereist is dat de bedreigde in redelijkheid vrees kan hebben voor ernstig letsel of de dood, en dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op deze uitkomst. De redelijke termijn in cassatie was overschreden, maar dit leidde niet tot een andere uitkomst. Het cassatieberoep werd verworpen.