Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De verdachte, geboren in 1970, was aangeklaagd voor feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk verrichten van werkzaamheden gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor gevestigd in Cyprus, dat niet beschikte over de vereiste vergunning van de toezichthouder, zoals voorgeschreven in artikel 2.3 van de Wet toezicht trustkantoren (oud). De Hoge Raad diende zich te buigen over twee hoofdvragen: of het hof de verdachte had moeten ontslaan van alle rechtsvervolging op basis van de onverenigbaarheid van de regeling van artikel 2 Wtt (oud) met het verbod op beperkingen op het vrij verrichten van diensten volgens artikel 56 van het VWEU, en of er ambtshalve cassatie moest worden ingesteld in verband met de partiële verjaring van de opzettelijke overtreding van artikel 2.3 Wtt (oud). De Hoge Raad oordeelde dat de klacht faalde en dat er geen aanleiding was om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. Tevens merkte de Hoge Raad op dat de verdachte onvoldoende belang had bij een ambtshalve beoordeling van de verjaring, aangezien er geen straf of maatregel was opgelegd. De Hoge Raad concludeerde dat het beroep werd verworpen, en dat de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens was overschreden, maar dat dit geen verdere rechtsgevolgen met zich meebracht.