Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan werkzaamheden van een trustkantoor gevestigd in Cyprus, dat zonder vergunning van de toezichthouder trustdiensten verleende, in strijd met de oude Wet toezicht trustkantoren (Wtt).
In cassatie stelde de verdachte onder meer dat de regeling van artikel 2 lid 3 en Pro 5 Wtt (oud) onverenigbaar is met artikel 56 VWEU Pro, omdat de minister nooit een aanwijzing gaf, wat een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van dienstverrichting zou vormen. De Hoge Raad verwierp dit verweer en zag geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest voor zover het betrekking had op feiten die meer dan twaalf jaar voor het arrest waren begaan, wegens verjaring, maar verwierp het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte onvoldoende belang had bij een ambtshalve beoordeling van de verjaring, mede omdat geen straf of maatregel was opgelegd.
Verder constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, maar vond dit niet aanleiding tot een ander rechtsgevolg. Het beroep werd uiteindelijk verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het arrest van het hof blijft in stand zonder strafoplegging.