Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
19 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De zaak betreft de verdachte die op 2 december 2020 drie politieambtenaren heeft bedreigd met een mes. De benadeelde partij, een van de politieambtenaren, heeft een vordering tot vergoeding van immateriële schade ingediend ter hoogte van € 350,00. Het hof heeft deze vordering toegewezen, maar de Hoge Raad oordeelt dat de motivering van het hof ontoereikend is. De Hoge Raad stelt vast dat het hof niet duidelijk heeft gemaakt op welke grond de vordering is toegewezen, zoals vereist door artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar alleen wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij, en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor herbehandeling. Daarnaast wordt opgemerkt dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar dit heeft geen verdere rechtsgevolgen.