Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
11 februari 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld, waarbij een gevangenisstraf van zes maanden werd opgelegd, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Het hof hield bij de strafoplegging rekening met een eerdere onherroepelijke veroordeling wegens een geweldsmisdrijf.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte deze eerdere veroordeling in zijn nadeel had betrokken. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht niet tot vernietiging van het arrest kon leiden en dat motivering niet noodzakelijk was omdat het geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling betrof.
Daarnaast werd geconstateerd dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door de late indiening van stukken en de duur van het cassatieproces. Gelet op de relatief lichte straf en de mate van overschrijding, verbond de Hoge Raad hieraan geen verdere rechtsgevolgen.
Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gevangenisstraf van zes maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, blijft in stand.