ECLI:NL:HR:2025:196

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2025
Publicatiedatum
7 februari 2025
Zaaknummer
22/03455
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 lid 2 sub 2 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 Wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen diefstal met geweld en overschrijding redelijke termijn

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld, waarbij een gevangenisstraf van zes maanden werd opgelegd, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Het hof hield bij de strafoplegging rekening met een eerdere onherroepelijke veroordeling wegens een geweldsmisdrijf.

De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte deze eerdere veroordeling in zijn nadeel had betrokken. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht niet tot vernietiging van het arrest kon leiden en dat motivering niet noodzakelijk was omdat het geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling betrof.

Daarnaast werd geconstateerd dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door de late indiening van stukken en de duur van het cassatieproces. Gelet op de relatief lichte straf en de mate van overschrijding, verbond de Hoge Raad hieraan geen verdere rechtsgevolgen.

Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gevangenisstraf van zes maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03455
Datum11 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 september 2022, nummer 22-002668-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 februari 2025.