ECLI:NL:HR:2025:199

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2025
Publicatiedatum
7 februari 2025
Zaaknummer
24/01541
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering beslag op geldbedrag bij verdenking witwassen

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van het openbaar ministerie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel die een klaagschrift gegrond heeft verklaard en daarmee het beslag op een geldbedrag van € 25.155,24 onder achterneven van de klager heeft opgeheven. Het beslag was gelegd in verband met verdenking van witwassen.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het hoogst onwaarschijnlijk zou zijn dat de strafrechter later tot verbeurdverklaring van het geldbedrag zal overgaan. De rechtbank had onvoldoende rekening gehouden met het summiere en voorlopige karakter van het onderzoek in de raadkamer en met de stellingen van het openbaar ministerie dat er redelijke twijfel bestaat over de rechthebbende van het geldbedrag.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin het motiveringsvereiste bij dergelijke beslissingen is benadrukt. Gezien het gebrek aan een toereikende motivering vernietigt de Hoge Raad de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel voor een nieuwe beoordeling van het klaagschrift op het bestaande dossier.

De zaak betreft een belangrijk procesrechtelijk vraagstuk over de beoordeling van beslagbeslissingen in het kader van verdenking witwassen en de vereisten aan de motivering daarvan.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst de zaak terug voor herbeoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01541 B
Datum11 februari 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 6 maart 2024, nummer RK 24/002080, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsman van de klager A.W. Syrier, advocaat in Utrecht, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank “dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag zal bevelen”.
2.2
Het procesverloop, de door de klager en het openbaar ministerie ingenomen standpunten en het oordeel van de rechtbank zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.6.
2.3
Gelet op de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3 tot en met 3.5 genoemde rechtspraak van de Hoge Raad en het daarin onder 3.8 besproken motiveringsgebrek in de beschikking van de rechtbank, slaagt het cassatiemiddel in zoverre. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 februari 2025.