Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 februari 2025.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van het openbaar ministerie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel die een klaagschrift gegrond heeft verklaard en daarmee het beslag op een geldbedrag van € 25.155,24 onder achterneven van de klager heeft opgeheven. Het beslag was gelegd in verband met verdenking van witwassen.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het hoogst onwaarschijnlijk zou zijn dat de strafrechter later tot verbeurdverklaring van het geldbedrag zal overgaan. De rechtbank had onvoldoende rekening gehouden met het summiere en voorlopige karakter van het onderzoek in de raadkamer en met de stellingen van het openbaar ministerie dat er redelijke twijfel bestaat over de rechthebbende van het geldbedrag.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin het motiveringsvereiste bij dergelijke beslissingen is benadrukt. Gezien het gebrek aan een toereikende motivering vernietigt de Hoge Raad de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel voor een nieuwe beoordeling van het klaagschrift op het bestaande dossier.
De zaak betreft een belangrijk procesrechtelijk vraagstuk over de beoordeling van beslagbeslissingen in het kader van verdenking witwassen en de vereisten aan de motivering daarvan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst de zaak terug voor herbeoordeling.