Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
7 januari 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor poging tot doodslag, gepleegd in 2018 in Leidschendam na een ruzie in een uitgaansgelegenheid. Verdachte zou het slachtoffer meermalen met een scherp voorwerp in het bovenlichaam hebben gestoken en tegen het hoofd hebben geschopt.
Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte veroordeeld en het cassatieberoep van verdachte is vervolgens ingesteld bij de Hoge Raad. Namens verdachte heeft een advocaat een schriftuur ingediend.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en de procureur-generaal de gelegenheid gegeven een advies uit te brengen. Gezien het gebrek aan kans van slagen verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, zonder verdere inhoudelijke motivering.
Het arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, samen met raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 7 januari 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het gerechtshof in stand blijft.