Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
18 februari 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld door het gerechtshof Den Haag voor medeplegen van voorbereidingshandelingen in strijd met de Opiumwet. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Namens de verdachte voerden advocaten Baumgardt en Van Berlo het middel aan, maar de advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Omdat het cassatieberoep niet slaagt, behoeft de Hoge Raad geen inhoudelijke motivering te geven, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden acht de Hoge Raad dit echter niet aanleiding voor aanvullende rechtsgevolgen.
De Hoge Raad besluit het cassatieberoep te verwerpen en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen voorbereidingshandelingen onder de Opiumwet.