Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
7 januari 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van poging tot dwang en veroordeeld voor bedreiging met brandstichting van het Dordrechts Museum. Het hof Den Haag verklaarde bewezen dat verdachte door ophangen van pamfletten en e-mails heeft geprobeerd personen te dwingen tot excuses en/of betaling, en dat hij het museum bedreigde met brandstichting via e-mails aan de gemeente.
In cassatie klaagde de verdachte over de motivering van de bewezenverklaring poging tot dwang en de vraag of het museum als bedreigde partij kon gelden. De Hoge Raad verwierp het middel over poging tot dwang omdat het hof voldoende gemotiveerd had geoordeeld dat sprake was van wederrechtelijk dwingen door feitelijkheid.
Ten aanzien van de bedreiging met brandstichting oordeelde de Hoge Raad dat een bedreiging ook kan zijn gericht tegen een concreet omschreven organisatie of instelling, mits redelijkerwijs vrees kon ontstaan dat de bedreiging zou worden uitgevoerd. Het hof had vastgesteld dat verdachte e-mails stuurde met dreiging tot brandstichting, dat de hoofdbeveiliger dit serieus nam en vrees ontstond. Dit oordeel was niet onjuist of onbegrijpelijk.
De Hoge Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn maar verbond hieraan geen rechtsgevolgen gezien de lichte straf van 41 dagen. Het cassatieberoep werd afgewezen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; vrijspraak poging tot dwang bevestigd en veroordeling bedreiging met brandstichting gehandhaafd.