ECLI:NL:HR:2025:259

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
13 februari 2025
Zaaknummer
23/02488
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie tegen ontnemingsuitspraak ondanks overschrijding redelijke termijn

De betrokkene stelde cassatie in tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2023 betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens de betrokkene diende advocaat B. Kizilocak de cassatiemiddelen in. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten en concludeerde dat deze niet tot vernietiging van het hofvonnis konden leiden. De Hoge Raad motiveerde dit oordeel niet uitvoerig omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht betroffen.

Een cassatiemiddel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond, maar zag geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden. Dit omdat in de samenhangende strafzaak eveneens een termijnoverschrijding speelt, die daar zal worden beoordeeld op mogelijke compensatie.

De Hoge Raad besloot het beroep te verwerpen en bevestigde daarmee de uitspraak van het hof Amsterdam. Het arrest werd uitgesproken op 18 februari 2025 door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsuitspraak ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02488 P
Datum18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2023, nummer 23-001215-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nr. 23/02489, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 februari 2025.