ECLI:NL:HR:2025:262

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2025
Publicatiedatum
13 februari 2025
Zaaknummer
23/03951
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 1019h RvWet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake octrooirechtelijke inventiviteitskwestie

In deze zaak heeft Sandoz B.V. cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin een geschil over octrooirechtelijke inventiviteit centraal stond. Het hof had het beroep van Sandoz verworpen. De Hoge Raad heeft de klachten van Sandoz beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest.

De Hoge Raad heeft geen inhoudelijke motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Daarnaast is Sandoz veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding, waarbij de kosten aan de zijde van Bristol-Myers Squibb Holdings Ireland Unlimited Company (BMS) zijn vastgesteld op €857 aan verschotten en €55.000 aan salaris, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

De uitspraak bevestigt de rechtspraak van lagere instanties en benadrukt het belang van zorgvuldige toetsing van inventiviteit in octrooirechtelijke procedures. De zaak illustreert tevens de toepassing van proceskostenveroordeling in cassatieprocedures.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Sandoz wordt verworpen en Sandoz wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer23/03951
Datum14 februari 2025
ARREST
In de zaak van
SANDOZ B.V.,
gevestigd te Weesp,
EISERES tot cassatie,
hierna: Sandoz,
advocaat: A.M. van Aerde,
tegen
BRISTOL-MYERS SQUIBB HOLDINGS IRELAND UNLIMITED COMPANY,
gevestigd te Dublin, Ierland,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: BMS,
advocaten: T. Cohen Jehoram en J.J. Valk.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/09/644989 KG ZA 23-240 van de rechtbank Den Haag van 17 mei 2023;
b. het arrest in de zaak 200.327.532/01 van het gerechtshof Den Haag van 15 augustus 2023.
Sandoz heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
BMS heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor BMS mede door R. Sheombar.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.2
Als de in cassatie in het ongelijk gestelde partij dient Sandoz te worden verwezen in de proceskosten. Nu BMS op de voet van art. 1019h Rv vergoeding van de kosten in cassatie heeft gevorderd en partijen overeenstemming hebben bereikt over de ter zake op de voet van deze bepaling toe te schatten kosten, zal de Hoge Raad dienovereenkomstig beslissen (Indicatietarieven in octrooizaken Hoge Raad punt 4).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Sandoz in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van BMS begroot op € 857,-- aan verschotten en € 55.000,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Sandoz deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
14 februari 2025.