Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 februari 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond onrechtmatige concurrentie door voormalige werknemers centraal. Agib B.V. stelde dat het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin het oordeel over onrechtmatigheid werd bevestigd, onjuist was. Na verwijzing naar eerdere vonnissen en arresten in de zaak, heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van Agib beoordeeld.
De Hoge Raad concludeerde dat de klachten van Agib tegen het arrest van het hof niet tot vernietiging konden leiden. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de rechtsvragen, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde Agib in de kosten van het cassatiegeding, begroot op een totaal van €10.406,--, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. Het arrest werd uitgesproken door raadsheer A.E.B. ter Heide, onder voorzitterschap van vicepresident M.J. Kroeze.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Agib B.V. wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.