ECLI:NL:HR:2025:269

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
14 februari 2025
Zaaknummer
22/03343
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266.1 SrArt. 267.1.2 SrArt. 269.1 SrArt. 269.2 SrArt. 342.2 Sv
Verwijzingen
11 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in zaak belediging ambtenaar door hoofdconductrice

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 augustus 2022, waarin de verdachte werd vervolgd wegens het beledigen van een ambtenaar door in het gezicht te spugen. De aangeefster was werkzaam als hoofdconductrice en daarmee buitengewoon opsporingsambtenaar, waardoor het klachtvereiste niet van toepassing was. Het hof oordeelde dat het openbaar ministerie ontvankelijk was en verklaarde de verdachte schuldig.

De verdediging stelde onder meer dat het bewijs onvoldoende was en dat de klachtvereiste ten onrechte was toegepast. De Hoge Raad overwoog dat het bewijs, waaronder de verklaring van de aangeefster, voldoende steun vond in ander bewijsmateriaal en dat het klachtvereiste niet van toepassing was gezien de ambtelijke status van de aangeefster. Er was geen sprake van schending van het bewijsminimum of denaturering van de verklaring.

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar vond dit gelet op de opgelegde straf van een week gevangenisstraf niet aanleiding tot verdere rechtsgevolgen. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling wegens belediging van een ambtenaar met een gevangenisstraf van één week.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03343
Datum18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 augustus 2022, nummer 23-002366-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. van Viegen, advocaat in Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1
De cassatiemiddelen komen op tegen het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, en tegen de bewezenverklaring.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van één week volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 februari 2025.