ECLI:NL:HR:2025:287

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
14 februari 2025
Zaaknummer
23/02445
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 141 lid 1 SrArt. 77a SrArt. 77za SrArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf en vernietiging bevel dadelijke uitvoerbaarheid in jeugdzaak poging doodslag

In deze jeugdzaak stond de verdachte terecht voor poging tot doodslag en openlijke geweldpleging. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had een taakstraf van 200 uur opgelegd, met een subsidiaire jeugddetentie van 100 dagen, en een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden en toezicht.

De verdachte stelde cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat er ernstig rekening gehouden moest worden met het risico op herhaling van een misdrijf tegen de lichamelijke integriteit, waardoor het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid niet toereikend was gemotiveerd en daarom vernietigd moest worden.

Daarnaast werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, mede doordat de stukken te laat waren ingezonden en de uitspraak meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde taakstraf tot 190 uur en de subsidiaire jeugddetentie tot 95 dagen.

De overige klachten van de verdachte werden verworpen. De Hoge Raad deed zelf uitspraak en vernietigde het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid en de duur van de taakstraf en jeugddetentie, met de genoemde verminderingen.

Uitkomst: Het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid is vernietigd en de taakstraf verminderd tot 190 uur met subsidiaire jeugddetentie van 95 dagen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02445 J
Datum18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 juni 2023, nummer 21-001917-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, en F.H. van der Pol, advocaat in Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf en het bevel dat de in de bestreden uitspraak vermelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, tot vermindering van die taakstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De raadsvrouw F.H. van der Pol heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof toepassing heeft gegeven aan artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht en heeft bevolen dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 16 tot en met 20. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid vernietigen.

3.Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf, de duur van de vervangende jeugddetentie en het bevel dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende jeugddetentie in die zin dat de taakstraf 190 uren beloopt, subsidiair 95 dagen jeugddetentie;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 februari 2025.