Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
21 februari 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de moeder cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag, waarin het hof zich onbevoegd heeft verklaard op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, specifiek artikel 5 en Pro 7, in een geschil over de beëindiging van het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind.
De vader woont in Marokko, en de vraag was of het Nederlandse hof bevoegd was gezien de gewone verblijfplaats van het kind en de internationale regelgeving. De Hoge Raad heeft de klachten van de moeder beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking van het hof.
De Hoge Raad heeft geen uitgebreide motivering gegeven omdat de beoordeling niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het beroep is derhalve verworpen, waarmee de onbevoegdheidsverklaring van het hof standhoudt.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de onbevoegdheidsverklaring van het hof blijft in stand.