In deze zaak gaat het om de berekening van de legitieme portie van de dochter uit de nalatenschap van haar moeder, die een woning aan haar zoon verkocht. De dochter stelt dat de verkoop tegen een te lage prijs en de renteloze lening zonder aflossingsverplichting een gift vormen die in de legitieme portie moet worden betrokken.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat er sprake was van een gift en bepaalde de waarde daarvan op het moment van afstand van het gebruiksrecht in 2005. Het hof vernietigde dit en stelde dat geen sprake was van een gift, mede omdat de koopprijs was gebaseerd op taxaties en de lening een reële vordering betrof. Ook achtte het hof de afstand van het gebruiksrecht geen gift.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft meegewogen het betoog van de dochter dat de vermeende verrekening van schulden tussen moeder en zoon een schijnconstructie is, wat relevant kan zijn voor de vraag of er een gift is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling. Tevens veroordeelt de Hoge Raad partijen in de kosten van het cassatieproces.