Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 februari 2025.
Hoge Raad
In deze zaak vordert de verhuurder een machtiging voor renovatiewerkzaamheden in de woning van de huurder. De kantonrechter wees de vorderingen toe, waarna de huurder hoger beroep instelde met een appeldagvaarding die tijdig bij het hof werd ingediend. Kort voor de eerste roldatum trok de huurder de zaak in via een H4-formulier, waardoor het geding niet meer aanhangig was.
De huurder bracht vervolgens een exploot uit met een nieuwe dagvaarding tegen een latere roldatum, stellende dat het eerdere verzuim hersteld werd. Het hof oordeelde dat de oorspronkelijke dagvaarding tijdig was ingediend en ingetrokken, zodat geen sprake was van een verzuim dat hersteld kon worden met een herstelexploot. Het exploot van 11 april 2023 was daarom een nieuwe dagvaarding die te laat was, waardoor de huurder niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De klachten van de huurder dat het intrekken slechts de aanbrenging als nieuwe zaak betrof en dat het exploot wel als herstelexploot kon gelden, worden verworpen. De Hoge Raad benadrukt dat artikel 125 lid 5 Rv Pro alleen ziet op situaties waarin de dagvaarding niet tijdig is ingediend, wat hier niet het geval was.
De huurder wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Dit arrest bevestigt de strikte toepassing van de regels omtrent aanbrenging en intrekking van dagvaardingen in hoger beroep.
Uitkomst: De huurder wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens intrekking van de tijdig ingediende dagvaarding en het niet kunnen toepassen van herstel via herstelexploot.