ECLI:NL:HR:2025:330

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
24 februari 2025
Zaaknummer
22/02073
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffenArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 359.2 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete voor overtredingen Wet vervoer gevaarlijke stoffen door rechtspersoon

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over meerdere opzettelijke overtredingen van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen door een rechtspersoon. De verdachte handelde als professionele vervoerder zonder inachtneming van alle veiligheidsvoorschriften, in strijd met artikel 5 van Pro de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

De verdediging stelde onder meer dat de bestuurder van de transporteenheid geen strafrechtelijk verwijt kon worden gemaakt en dat het hof onterecht bepaalde feiten aan de verdachte toerekende. Ook werd betwist dat het vermelden van een UN-nummer op een certificaat automatisch toelating van alle stoffen onder dat nummer impliceert.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten tegen het hofarrest niet tot vernietiging konden leiden en dat het hof terecht had geoordeeld. Wel werd ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor de opgelegde geldboete van €1.500 werd verminderd naar €1.350. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De geldboete wordt verminderd van €1.500 naar €1.350, het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02073 E
Datum18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 31 mei 2022, nummer 23-001513-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V. ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.H. van Steijn, advocaat in Berlicum, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van één van de opgelegde geldboetes, namelijk die van € 1.500.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- vermindert de geldboete van € 1.500 in die zin dat deze € 1.350 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 maart 2025.