ECLI:NL:HR:2025:363
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2014
Belanghebbende was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over twee navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2014, inclusief een boetebeschikking en belastingrente. Het Gerechtshof Amsterdam had eerder het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland behandeld en uitspraak gedaan.
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat de klachten geen vragen betreffen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is gewezen door raadsheren Faase, Cools en Peters en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2025.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.