ECLI:NL:HR:2025:371

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
10 maart 2025
Zaaknummer
23/05013
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 26.1 WWMArt. 157.1 SrArt. 311.1 SrArt. 7 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak medeplegen moord en brandstichting

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van moord in Rotterdam in 2020, waarbij het slachtoffer op een openbare weg in een woonwijk werd geliquideerd terwijl hij met zijn vrouw de hond uitliet. Daarnaast werd de verdachte verdacht van het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en munitie, brandstichting van de gebruikte auto bij de liquidatie en medeplegen van diefstal door middel van valse sleutels van die auto.

De verdachte stelde in cassatie dat het hof artikel 7 EVRM Pro en artikel 15 IVBPR Pro had geschonden door geen rekening te houden met een nieuwe VI-regeling die nadeliger voor hem uitpakte. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij voor gederfde inkomsten en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel aangevochten.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof Den Haag van 20 december 2023. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep is derhalve verworpen en het hofvonnis met een gevangenisstraf van 21 jaar blijft in stand.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt 21 jaar gevangenisstraf voor medeplegen moord en overige feiten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/05013
Datum18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2023, nummer 22-001834-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 maart 2025.