Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
18 maart 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van moord in Rotterdam in 2020, waarbij het slachtoffer op een openbare weg in een woonwijk werd geliquideerd terwijl hij met zijn vrouw de hond uitliet. Daarnaast werd de verdachte verdacht van het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en munitie, brandstichting van de gebruikte auto bij de liquidatie en medeplegen van diefstal door middel van valse sleutels van die auto.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof artikel 7 EVRM Pro en artikel 15 IVBPR Pro had geschonden door geen rekening te houden met een nieuwe VI-regeling die nadeliger voor hem uitpakte. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij voor gederfde inkomsten en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel aangevochten.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof Den Haag van 20 december 2023. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep is derhalve verworpen en het hofvonnis met een gevangenisstraf van 21 jaar blijft in stand.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt 21 jaar gevangenisstraf voor medeplegen moord en overige feiten.