Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.Procedure voor het Hof
4.Beoordeling van het middel
.
Hoge Raad
Belanghebbende had voor het jaar 2020 een rendementsgrondslag in box 3 opgegeven, bestaande uit banktegoeden en een lening aan haar zoon. De Inspecteur stelde de aanslag vast overeenkomstig de aangifte en weigerde rechtsherstel toe te passen op grond van het arrest van 24 december 2021. Het Hof Den Haag oordeelde dat belanghebbende recht had op een compensatie gebaseerd op het werkelijk behaalde rendement, en beperkte dit tot direct gerealiseerde vermogensopbrengsten.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een te beperkte uitleg gaf aan het begrip werkelijk rendement, omdat ook ongerealiseerde waardemutaties daarin moeten worden betrokken. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen.
De Hoge Raad wijst erop dat het aan de wetgever is om het rechtstekort te herstellen, maar dat de rechter wel een juiste uitleg moet geven aan het begrip werkelijk rendement. De proceskosten worden niet aan een van de partijen opgelegd. Dit arrest is op 14 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van ongerealiseerde waardemutaties in het werkelijk rendement.