Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 maart 2025.
Hoge Raad
Betrokkene werd onvrijwillig opgenomen en inbewaring gesteld op een High Intensive Care-afdeling die geregistreerd is onder de Wvggz, maar niet onder de Wzd. De burgemeester gaf meerdere beschikkingen tot inbewaringstelling en de rechtbank verleende machtigingen tot voortzetting hiervan, ondanks dat de uitvoering plaatsvond in een niet-Wzd-accommodatie.
Het CIZ verzocht om voortzetting van de inbewaringstelling vanwege de ernstige zorgbehoefte van betrokkene en het ontbreken van een geschikte Wzd-accommodatie. De rechtbank oordeelde dat de machtiging ook ten uitvoer mocht worden gelegd in de Wvggz-accommodatie om continuïteit van zorg te waarborgen.
De Hoge Raad oordeelt dat de wet (art. 24 lid 1 Wzd Pro en art. 5 EVRM Pro) vereist dat onvrijwillige opname en verblijf alleen in een geregistreerde Wzd-accommodatie mag plaatsvinden. De machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling mocht daarom niet worden verleend met het oog op uitvoering in een Wvggz-accommodatie. Tevens is geoordeeld dat betrokkene zich niet verzet tegen opname in een Wzd-accommodatie, maar juist tegen de huidige Wvggz-accommodatie.
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland en wijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing. Dit arrest benadrukt het belang van wettelijke grondslag en passende zorgomgeving bij onvrijwillige opname.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling vanwege uitvoering in een niet-Wzd-geregistreerde accommodatie en wijst de zaak terug naar de rechtbank.