ECLI:NL:HR:2025:399

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
24/02062
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5.4.4.1.f Wetboek van StrafvorderingArt. 5.4.10 Wetboek van StrafvorderingArt. 552a Wetboek van StrafvorderingArt. 6 VEU
Verwijzingen
15 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen beslag op USB-stick met medische patiëntgegevens

De zaak betreft een cassatieberoep van een bestuurder van een thuiszorgorganisatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel inzake beslag op een USB-stick waarop medische patiëntgegevens stonden. De USB-stick was in beslag genomen op verzoek van Duitse autoriteiten in het kader van een Europees onderzoekbevel (EOB).

De klaagster stelde dat zij eigenaar was van de USB-stick en voerde aan dat de uitvoering van het EOB onverenigbaar was met de verplichtingen die Nederland heeft op grond van artikel 6 van Pro het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Zij beriep zich op een weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 5.4.4.1.f van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank had het aanhoudingsverzoek afgewezen en de Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen deze beschikking verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het niet nodig was om de klachten nader te motiveren, omdat deze niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bepaald in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De beschikking werd gegeven door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en handhaaft het beslag op de USB-stick.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02062 Br
Datum18 maart 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 22 mei 2024, nummer RK 24/004051, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats ] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de klaagster heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 maart 2025.