Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
18 maart 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de klaagster, cliënt van een inmiddels overleden advocaat, beklag ingediend tegen beslag op stukken en digitale gegevensdragers waarop zij een beroep deed op het verschoningsrecht van de advocaat. De rechtbank verklaarde het beklag niet-ontvankelijk omdat de gegevensdragers waren teruggegeven aan de cliënten.
De Hoge Raad oordeelt dat deze niet-ontvankelijkverklaring onjuist is. De inhoud van de gegevensdragers was gekopieerd en de kopie, inclusief mogelijke geheimhoudersstukken, bleef beschikbaar voor de opsporingsautoriteiten. Dit rechtvaardigt het ontvankelijk verklaren van het beklag.
De Hoge Raad verwijst daarbij naar de motivering in een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2025:404) en vernietigt de beschikking van de rechtbank. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Noord-Nederland voor een inhoudelijke behandeling van het beklag.
Deze beschikking is uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 18 maart 2025, waarbij de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans betrokken waren.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.