ECLI:NL:HR:2025:421

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2025
Publicatiedatum
20 maart 2025
Zaaknummer
24/00668
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake ongerechtvaardigde verrijking en omvang nalatenschap ouders

In deze zaak stond centraal de vraag of twee zussen zich ongerechtvaardigd hadden verrijkt ten koste van hun ouders, met wie zij samenwoonden en een boerenbedrijf uitoefenden, en hoe de omvang van de nalatenschap van de ouders moest worden vastgesteld.

De procedure begon bij de rechtbank Oost-Brabant met meerdere vonnissen tussen 2015 en 2021, gevolgd door een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch in november 2023. Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, terwijl twee van de verweerders verstek lieten gaan.

De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en bepaald dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het arrest is gewezen door de raadsheren Tanja-van den Broek, du Perron en Salomons en in het openbaar uitgesproken door ter Heide.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en iedere partij draagt haar eigen kosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/00668
Datum21 maart 2025
ARREST
In de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats] ,
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser] ,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
1. [verweerster 1] ,
wonende te [plaats] ,
2. [verweerster 2] ,
wonende te [plaats] ,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna: [verweerster 1] en [verweerster 2] ,
advocaat: A.C. de Bakker,
3. [verweerster 3] ,
wonende te [plaats] ,
4. [verweerder 4] ,
wonende te [plaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [verweerster 3] en [verweerder 4],
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/01/297461 / HA ZA 15-585 van de rechtbank Oost-Brabant van 30 december 2015, 24 augustus 2016, 19 oktober 2016, 17 juni 2020 en 24 maart 2021, welk laatste vonnis is verbeterd bij vonnis van 26 mei 2021;
b. het arrest in de zaak 200.297.542/02 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 november 2023.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster 1] en [verweerster 2] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
Tegen [verweerster 3] en [verweerder 4] is verstek verleend.
De zaak is voor [verweerster 1] en [verweerster 2] toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
21 maart 2025.