Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
25 maart 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk invoeren van 1.516,06 kg cocaïne, voorbereidingshandelingen voor de verkoop daarvan en valsheid in geschrift. Verdachte, werkzaam als douanier in de Rotterdamse haven, had onjuiste informatie ingevoerd in digitale systemen om controle van containers te voorkomen.
In cassatie werden klachten geuit over het bewijs, waaronder het gebruik van een PGP-telefoon en een alternatief scenario dat een ander dan verdachte met diens account handelde. Het hof had verzoeken tot nader onderzoek naar dit scenario afgewezen. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging leiden en hoefde dit niet nader te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de gevangenisstraf van acht jaar naar zeven jaar en acht maanden.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor de strafmaat, verminderde de straf conform de termijnoverschrijding en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Borgers en raadsheren Kuijer en Kooijmans op 25 maart 2025.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van acht jaar naar zeven jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.