Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
25 maart 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin hij werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vals rijbewijs, zoals bedoeld in artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof legde een gevangenisstraf van twee maanden op, waarbij het ook een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de strafoplegging behandelde, waaronder het verzoek tot toepassing van artikel 9a Sr.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden. De Hoge Raad ziet geen noodzaak om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde straf van twee maanden acht de Hoge Raad dit echter niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg.
Uiteindelijk verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof en de strafoplegging.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van twee maanden voor het voorhanden hebben van een vals rijbewijs.