Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
14 januari 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren wegens poging tot doodslag door het steken met een mes in de buik van een ander. Het hof motiveerde de straf onder meer met het oog op re-integratie van de verdachte en wees een hogere straf dan de rechtbank op had gelegd af.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De advocaat-generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de duur van de straf, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden, behalve voor de strafmaat.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de straf van drie jaren naar twee jaren en elf maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van drie jaren naar twee jaren en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.