ECLI:NL:HR:2025:515

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 april 2025
Publicatiedatum
3 april 2025
Zaaknummer
22/04404
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 285a lid 1 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij poging tot doodslag en beïnvloeding getuige

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag en het beïnvloeden van een getuige. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken, maar het hof heeft hem later wel schuldig bevonden op basis van verklaringen van aangever, getuigen en medische rapporten.

De verdediging voerde onder meer aan dat de verklaringen van de aangever en getuigen onbetrouwbaar waren en dat de bewezenverklaring van beïnvloeding van de getuige onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd door de verklaringen onderling en met andere bewijsstukken te verbinden en dat de bewezenverklaring omtrent beïnvloeding van de getuige begrijpelijk is.

De Hoge Raad constateert wel dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, waardoor de straf moet worden verminderd. De opgelegde gevangenisstraf wordt daarom verminderd van vier jaar naar drie jaar en tien maanden. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen, waarmee de veroordeling blijft staan.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot drie jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, het cassatieberoep wordt verder verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04404
Datum8 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 november 2022, nummer 21-000186-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H. Sytema bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de (motivering door het hof van de) bewezenverklaring van de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.10.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde beïnvloeden van een getuige.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.2 tot en met 4.8.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en tien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 april 2025.