Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
8 april 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor belaging van zijn ex-partner en een schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd.
Het hof kende de benadeelde partij een materiële schadevergoeding van €408,60 toe en bepaalde dat de wettelijke rente hierover vanaf 16 juni 2014, de aanvangsdatum van de bewezenverklaarde periode, verschuldigd was. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de volledige materiële schade op die datum was ingetreden.
De Hoge Raad stelt dat de wettelijke rente voor de kosten van de psycholoog (€95,78) pas vanaf 17 december 2014 verschuldigd is, omdat deze kosten in die periode zijn gemaakt. Voor de reiskosten (€250,32) en de kosten van het Aware-systeem (€62,50) wordt de rente aanvangsdatum vastgesteld op 31 augustus 2014, het midden van de periode waarin deze kosten zijn gemaakt.
De overige klachten van de verdachte worden verworpen. De Hoge Raad constateert een overschrijding van de redelijke termijn, maar verbindt hieraan geen verdere rechtsgevolgen. Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de aanvangsdatum van de wettelijke rente betreft en de zaak wordt zelf afgedaan door de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt nieuwe aanvangsdata voor de wettelijke rente vast en vernietigt het hofarrest voor zover de rente vanaf 16 juni 2014 werd toegekend.