Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
8 april 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het invoeren van circa 754 kilogram cocaïne vanuit Ecuador naar Rotterdam. Het hof legde een gevangenisstraf van zes jaren op.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafduur, met vermindering van de straf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het hof terecht had geoordeeld over de bewezenverklaring.
De Hoge Raad stelde ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, doordat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, en zelfs meer dan 28 maanden tot de uitspraak. Dit leidde tot een vermindering van de straf met zes maanden, waardoor de gevangenisstraf werd teruggebracht tot vijf jaren en zes maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafduur, verminderde de straf en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan op 8 april 2025 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd van zes naar vijf jaar en zes maanden wegens overschrijding redelijke termijn.