Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
8 april 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een militaire strafzaak waarin de verdachte werd vrijgesproken van mishandeling maar wel werd bewezenverklaard dat hij de benadeelde partij bedreigde met zware mishandeling. De benadeelde partij vorderde immateriële schadevergoeding van € 2.000, waarvan het hof € 250 toekende met wettelijke rente en tevens een schadevergoedingsmaatregel oplegde.
De verdachte betwistte de vordering gemotiveerd, stellende dat de immateriële schade niet aannemelijk was gemaakt en dat de vordering niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Het hof motiveerde onvoldoende op welke grondslag uit art. 6:106 BW Pro de schadevergoeding werd toegewezen en welke omstandigheden daaraan ten grondslag lagen.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd, mede omdat niet duidelijk is op welke grondslag en omstandigheden de toewijzing berust. Hierdoor kan ook de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de schadevergoeding en maatregel betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor de immateriële schadevergoeding en schadevergoedingsmaatregel en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.