ECLI:NL:HR:2025:569

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 april 2025
Publicatiedatum
11 april 2025
Zaaknummer
23/00561
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 359.2 SvArt. 81.1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep afgewezen in diefstalzaak met betwisting DNA-bewijs

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een diefstal van een geldkistje met daarin €240 uit een chiropractorpraktijk. De verdachte betwistte de betrouwbaarheid van het DNA-spoor op een sigarettenpeuk die als bewijs werd gebruikt.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten over het DNA-bewijs en de wijze waarop het was veiliggesteld, maar vond deze onvoldoende voor vernietiging van het arrest. De Hoge Raad hoefde geen uitgebreide motivering te geven omdat de klachten niet van belang waren voor de rechtseenheid of -ontwikkeling.

Hoewel de redelijke termijn voor de cassatieprocedure meer dan twee jaar was overschreden, oordeelde de Hoge Raad dat gezien de opgelegde straf van zes maanden gevangenisstraf (waarvan twee maanden voorwaardelijk) geen ander rechtsgevolg aan de termijnoverschrijding verbonden hoefde te worden.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf van zes maanden gevangenisstraf blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00561
Datum15 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 februari 2023, nummer 23-002124-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Ketting bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. Daarna heeft J. Kuijper zich in de plaats van M. Ketting als advocaat gesteld. Vervolgens hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld namens de verdachte bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot strafvermindering volgens de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de voorgestelde cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 april 2025.