Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
15 april 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij de betrokkene een betalingsverplichting van € 91.123 was opgelegd. Het hof oordeelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, maar zag geen aanleiding om hieraan consequenties te verbinden omdat bij de strafoplegging in de hoofdzaak rekening was gehouden met de lange duur van de behandeling.
De Hoge Raad stelt dat dit oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, omdat de strafvermindering in de hoofdzaak alleen betrekking had op de overschrijding in hoger beroep en niet op de overschrijding in eerste aanleg van de ontnemingszaak. Daarom vernietigt de Hoge Raad het hofarrest voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft en vermindert het bedrag met € 5.000 tot € 86.123.
De overige klachten van de betrokkene worden verworpen. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat deze klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 15 april 2025.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting van € 91.123 naar € 86.123 wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.