Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
22 april 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een verkrachtingszaak uit 2016 in Amsterdam waarbij de verdachte in hoger beroep een verzoek tot aanhouding van de terechtzitting deed vanwege wisseling van raadsman. Dit verzoek werd door het hof afgewezen na belangenafweging, mede omdat verdachte in hoger beroep geen rechtsbijstand had gehad ondanks zijn verzoek daartoe.
De Hoge Raad heeft in cassatie het beroep van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat het hof terecht het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen en dat de opmerkingen van verdachte tijdens de terechtzitting niet als een verzoek tot het horen van de aangeefster als getuige opgevat hoefden te worden. Tevens is de strafmotivering met betrekking tot de opgelegde gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden als begrijpelijk beoordeeld.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof volstaan kon met de constatering dat de redelijke termijn was overschreden, omdat deze overschrijding aan de verdachte zelf te wijten was. Het beroep in cassatie is verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden.