Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
4.Beslissing
22 april 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd beschuldigd van jarenlang seksueel misbruik van twee nichtjes, beiden jonger dan twaalf jaar ten tijde van de feiten. In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken, maar het gerechtshof Amsterdam verklaarde hem schuldig en veroordeelde hem. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het bewijs onvoldoende was en dat de verklaringen van de aangeefsters onvoldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht betekenis heeft toegekend aan de onderlinge verwantschap tussen de feiten, de modus operandi, de verklaringen van de aangeefsters, getuigenverklaringen en het medisch dossier. Het bewijs voldoet aan het bewijsminimum zoals vereist in artikel 342 lid 2 Sv Pro. Daarnaast onderzocht de Hoge Raad de klachten van de benadeelde partijen over het niet opleggen van een bijzondere voorwaarde tot schadevergoeding, maar verklaarde deze klachten niet ontvankelijk omdat zij niet voldeden aan de vereisten van artikel 437 lid 3 Sv Pro.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 september 2023. De bewezenverklaring en het oordeel van het hof worden daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de bewezenverklaring van seksueel misbruik door de verdachte.