ECLI:NL:HR:2025:582

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
14 april 2025
Zaaknummer
23/03827
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 244 Sr (oud)Art. 342 lid 2 SvArt. 437 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring seksueel misbruik van minderjarige nichtjes

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd beschuldigd van jarenlang seksueel misbruik van twee nichtjes, beiden jonger dan twaalf jaar ten tijde van de feiten. In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken, maar het gerechtshof Amsterdam verklaarde hem schuldig en veroordeelde hem. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het bewijs onvoldoende was en dat de verklaringen van de aangeefsters onvoldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht betekenis heeft toegekend aan de onderlinge verwantschap tussen de feiten, de modus operandi, de verklaringen van de aangeefsters, getuigenverklaringen en het medisch dossier. Het bewijs voldoet aan het bewijsminimum zoals vereist in artikel 342 lid 2 Sv Pro. Daarnaast onderzocht de Hoge Raad de klachten van de benadeelde partijen over het niet opleggen van een bijzondere voorwaarde tot schadevergoeding, maar verklaarde deze klachten niet ontvankelijk omdat zij niet voldeden aan de vereisten van artikel 437 lid 3 Sv Pro.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 september 2023. De bewezenverklaring en het oordeel van het hof worden daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de bewezenverklaring van seksueel misbruik door de verdachte.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03827
Datum22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 september 2023, nummer 23-000303-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.C. Reisinger en R.L. Vermeulen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Namens [benadeelde 1] heeft de advocaat H.W. Leemans bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. Namens [benadeelde 2] heeft de advocaat M. Ferwerda bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd. De advocaat van [benadeelde 2] heeft daarop eveneens schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld

2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 17.
3. Beoordeling van de schrifturen die namens de benadeelde partijen zijn ingediend
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Dat geldt ook voor cassatiemiddelen als bedoeld in artikel 437 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Als zo’n cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende haar vordering. De schrifturen voldoen niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moeten blijven.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 april 2025.