Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:586

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
14 april 2025
Zaaknummer
22/03590
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 302 lid 1 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij poging zware mishandeling

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake poging tot zware mishandeling met een vuurwapen. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en tot vermindering daarvan, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten van verdachte, maar vond deze niet gegrond voor vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad hoefde de motivering niet te geven omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling bevatten, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

Vanwege het feit dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 279 dagen naar 272 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat, verminderde de gevangenisstraf en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 22 april 2025 door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 272 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03590
Datum22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 september 2022, nummer 22-000310-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H. Bakker bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 279 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 272 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 april 2025.