Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Waar het in deze zaak om gaat
4.Juridisch kader
De overwegingen van het hof over de interpretatie van artikel 6 lid Pro 1, aanhef en onder c, WIM houden verder, in de kern, het volgende in. Een aanranding van de persoonlijke waardigheid kan plaatsvinden door middel van uitlatingen of gedragingen (die kunnen bestaan uit een handelen of nalaten), of een combinatie daarvan. Het moet daarbij gaan om een – gelet op onder meer de aard en de duur van die uitlatingen of gedragingen, alsmede de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden – ernstige inbreuk op de persoonlijke waardigheid, die in het bijzonder kan bestaan uit een vernederende of onterende behandeling. Bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk op de persoonlijke waardigheid kan mede betekenis toekomen aan de culturele en/of religieuze context waarbinnen de uitlatingen of gedragingen plaatsvinden. Deze interpretatie van artikel 6 lid Pro 1, aanhef en onder c, WIM getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
Daarnaast heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat de strafbaarstelling van artikel 6 lid Pro 1, aanhef en onder c, WIM ook van toepassing is ten aanzien van overleden personen. Ook dat getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, mede gelet op de uitleg van het internationale (gewoonte)recht in de onder 4.5.2 weergegeven voetnoot bij de Elements of Crimes en in de rechtspraak van nationale rechters van andere landen, zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.56 en 3.57.
8.Beslissing
22 april 2025.