ECLI:NL:HR:2025:599
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag omzetbelasting en boetebeschikking
Belanghebbende, een maatschap, was het niet eens met een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2017, alsmede met de daarbij behorende boetebeschikking en belastingrente. Na een uitspraak van de Rechtbank Den Haag werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag, dat op 19 januari 2023 uitspraak deed.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld maar oordeelde dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveerde dit niet uitvoerig omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling of eenheid.
Verder constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure van maximaal zes maanden. Voor de aanslag en belastingrente werd geen vergoeding toegekend omdat belanghebbende dit niet had verzocht. Voor de boetebeschikking, die lager was dan € 1.000, vond de Hoge Raad de enkele vaststelling van schending van artikel 6 EVRM Pro voldoende compensatie.
Ten slotte wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en er wordt geen vergoeding toegekend voor termijnoverschrijding.