ECLI:NL:HR:2025:683
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat cryptovaluta behoren tot de rendementsgrondslag van box 3
Belanghebbende had in haar aangifte inkomstenbelasting 2019 cryptovaluta opgegeven als overige bezittingen voor box 3. De Inspecteur kwalificeerde deze cryptovaluta als vermogensbestanddelen die tot de rendementsgrondslag behoren, hetgeen belanghebbende betwistte. Zij stelde dat cryptovaluta geen vermogensrechten zijn in de zin van artikel 3:6 BW Pro en dat het ontbreken van een verplichting van een ander aan haar betekent dat het geen bezitting is.
Het Gerechtshof Amsterdam verwierp deze stellingen en oordeelde dat het begrip 'vermogensrechten' in de Wet IB 2001 ruimer is dan in het BW. Het Hof stelde dat cryptovaluta een economische waarde vertegenwoordigen, overdraagbaar zijn via wallets en de distributed ledger, en stoffelijk voordeel kunnen opleveren bij verkoop. Daarom behoren zij tot de bezittingen in box 3.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatiemiddel dat tegen deze rechtsopvatting was gericht. De overige klachten faalden eveneens, zodat het beroep in cassatie ongegrond werd verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; cryptovaluta behoren tot de rendementsgrondslag van box 3.