Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
13 mei 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 april 2023, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen. Het betrof het overboeken van geldbedragen van in totaal €24.490 als loon voor niet verrichte werkzaamheden in kapperszaken naar de bankrekening van zijn vrouw. De verdachte stelde een bewijsklacht in en voerde een uitdrukkelijk standpunt aan over de loonbetalingen zonder werkzaamheden.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Er was geen noodzaak om de motivering te geven omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming bevatten, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de beperkte mate van overschrijding werd geen ander rechtsgevolg verbonden aan deze termijnoverschrijding.
Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het gerechtshof ongewijzigd. De uitspraak werd gedaan op 13 mei 2025 door de vice-president Borgers en raadsheren Van Strien en Caminada.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van gewoontewitwassen.