Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport als zojuist bedoeld te doen berusten. (Vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426 en HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, rechtsoverweging 3.2.6.)
Het hof heeft deze schatting gebaseerd op een als “kasopstelling” aangeduide opsomming van contante uitgaven in deze periode, die zijn overgenomen uit een herberekening die is gevolgd op de ontnemingsrapportage. Bij de berekeningsmethode die vaak wordt aangeduid als een eenvoudige kasopstelling, wordt een berekeningssysteem gebruikt waarin de contante uitgaven en ontvangsten over een bepaalde periode worden becijferd en waarbij het negatieve verschil tussen contante uitgaven en ontvangsten, dat slechts veroorzaakt kan zijn door een onverklaarde bron van ontvangsten, wordt aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De enkele optelling door het hof van contante uitgaven, zonder dat het hof vaststellingen heeft gedaan over eventueel al aanwezige contanten aan het begin van de onderzochte periode en eventuele legale bronnen van inkomsten tijdens die periode, volstaat niet voor het oordeel dat het bedrag van de contante uitgaven kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Daarnaast is van belang dat het hof onvoldoende nauwkeurig heeft vermeld op welke aan de ontnemingsrapportage ontleende feiten en omstandigheden, de in de schatting betrokken bedragen aan contante uitgaven zijn gebaseerd. Ook heeft het hof niet vastgesteld door middel van of uit de baten van welke feiten – bewezenverklaarde feiten of andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr – de betrokkene het geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
13 mei 2025.