Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
13 mei 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over openlijke geweldpleging in Rotterdam in 2021, waarbij de verdachte een stoeptegel en tafelpoot naar een ME-bus gooide. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
De Hoge Raad beoordeelde twee middelen: het eerste middel werd verworpen zonder nadere motivering, omdat het geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling bevatte. Het tweede middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak van de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden en leidde dit tot vermindering van de opgelegde straf. De taakstraf werd verminderd van 120 naar 114 uren, en de vervangende hechtenis van 60 naar 57 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier tijdens een openbare terechtzitting op 13 mei 2025.
Uitkomst: Taakstraf verminderd van 120 naar 114 uren en vervangende hechtenis van 60 naar 57 dagen wegens overschrijding redelijke termijn.