ECLI:NL:HR:2025:742

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 mei 2025
Publicatiedatum
13 mei 2025
Zaaknummer
23/00849
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 141.1 SrArt. 301.4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak openlijke geweldpleging

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over openlijke geweldpleging in Rotterdam in 2021, waarbij de verdachte een stoeptegel en tafelpoot naar een ME-bus gooide. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De Hoge Raad beoordeelde twee middelen: het eerste middel werd verworpen zonder nadere motivering, omdat het geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling bevatte. Het tweede middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak van de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond.

De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden en leidde dit tot vermindering van de opgelegde straf. De taakstraf werd verminderd van 120 naar 114 uren, en de vervangende hechtenis van 60 naar 57 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier tijdens een openbare terechtzitting op 13 mei 2025.

Uitkomst: Taakstraf verminderd van 120 naar 114 uren en vervangende hechtenis van 60 naar 57 dagen wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00849
Datum13 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 februari 2023, nummer 22-000572-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 114 uren beloopt, subsidiair 57 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 mei 2025.