Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
20 mei 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond een 20-jarige verdachte terecht voor verkrachting van een 21-jarige medestudente in haar slaapkamer. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld op basis van verklaringen van het slachtoffer en een getuige, waarbij het bewijsminimum en de bewijskracht van de verklaringen centraal stonden.
De verdachte stelde in cassatie diverse klachten in, waaronder dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de verklaring van het slachtoffer werd ondersteund door die van een getuige, en dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met een alternatief scenario. Ook werd betwist of het hof terecht had vastgesteld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat hij tegen de wil van het slachtoffer seksueel bij haar zou binnendringen.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, op 20 mei 2025.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor verkrachting.