Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
27 mei 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een rechtspersoon die werd veroordeeld voor het opzettelijk niet voeren en bewaren van een volledige bedrijfsadministratie, zoals bedoeld in artikel 69.1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Het gerechtshof Den Haag had de verdachte veroordeeld, waarna cassatie werd ingesteld.
De verdediging voerde onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van het ne bis in idem-beginsel. Daarnaast werd een bewijsklacht ingediend over de omvang van de administratieplicht. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
Vanwege het verstrijken van meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep is de redelijke termijn overschreden zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Desondanks is geen straf of maatregel opgelegd aan de verdachte, waardoor de Hoge Raad volstaat met het constateren van de termijnoverschrijding zonder verdere rechtsgevolgen.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het gerechtshof bevestigd. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof bevestigd ondanks overschrijding van de redelijke termijn.