ECLI:NL:HR:2025:800

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
23/01955
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69.1 AWRArt. 69.2 AWRArt. 408 lid 1 sub b SvArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding in economische strafzaak

De zaak betreft een economische strafzaak waarin de verdachte werd verdacht van het opzettelijk voeren van een ondeugdelijke administratie en het medeplegen van het opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting. Het gerechtshof Amsterdam verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep omdat dit te laat was ingesteld, conform artikel 408 lid 1 sub b Sv Pro.

De verdachte voerde in cassatie aan dat sprake was van een verontschuldigbare termijnoverschrijding, mede omdat hij in eerste aanleg zonder rechtsbijstand was verschenen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar was. Daarnaast werd vastgesteld dat het hof niet in verzuim was door niet te beslissen op een voorwaardelijk verzoek tot schorsing van het onderzoek ten behoeve van het opmaken van een proces-verbaal.

De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, maar dat dit niet tot vernietiging van het arrest kon leiden. Het vonnis in eerste aanleg is daarmee onherroepelijk geworden. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01955
Datum27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 mei 2023, nummer 23-002931-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Duijvelshoff bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
3.2
De klacht tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de verdachte in het ingestelde hoger beroep leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad acht ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 mei 2025.