ECLI:NL:HR:2025:806

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
22/04744
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26.1 WWMArt. 310 SrArt. 311.1.5 SrArt. 437 lid 2 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken cassatiemiddelen

In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 december 2022. Het betreft een strafzaak met onder meer beschuldigingen van het voorhanden hebben van een pistool en autodiefstallen.

De verdachte heeft echter geen cassatiemiddelen ingediend binnen de voorgeschreven termijn, zoals vereist door artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De advocaat-generaal heeft daarom geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Hierdoor wordt het arrest van het gerechtshof in stand gelaten. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 27 mei 2025.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04744
Datum27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 december 2022, nummer 23-001960-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde cassatieberoep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 mei 2025.