Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
3 juni 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 oktober 2023, waarin hij werd veroordeeld voor het plegen van ontucht met zijn 8-jarige zoon en het verrichten van seksuele handelingen, waaronder seksueel binnendringen, bij zijn 11-jarige dochter. De verdachte werd veroordeeld op grond van de artikelen 244, 247 en 248.2 van het oude Wetboek van Strafrecht.
In cassatie werden verschillende klachten ingebracht, waaronder de vraag of het hof terecht een schakelbewijsconstructie toepaste waarbij de verklaringen van de zoon en dochter elkaar ondersteunden, de begrijpelijkheid van de strafmotivering met betrekking tot de duur van de ontuchtige handelingen, en de juiste kwalificatie van het bewezen verklaarde wrijven over de clitoris als seksueel binnendringen.
De Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het hof voldoende gemotiveerd heeft. Het cassatieberoep wordt verworpen zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De straf van 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, blijft daarmee in stand. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 3 juni 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf van 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, blijft in stand.