ECLI:NL:HR:2025:810

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juni 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
23/04402
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 244 Sr (oud)Art. 247 Sr (oud)Art. 248.2 Sr (oud)Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak ontucht met minderjarige kinderen

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 oktober 2023, waarin hij werd veroordeeld voor het plegen van ontucht met zijn 8-jarige zoon en het verrichten van seksuele handelingen, waaronder seksueel binnendringen, bij zijn 11-jarige dochter. De verdachte werd veroordeeld op grond van de artikelen 244, 247 en 248.2 van het oude Wetboek van Strafrecht.

In cassatie werden verschillende klachten ingebracht, waaronder de vraag of het hof terecht een schakelbewijsconstructie toepaste waarbij de verklaringen van de zoon en dochter elkaar ondersteunden, de begrijpelijkheid van de strafmotivering met betrekking tot de duur van de ontuchtige handelingen, en de juiste kwalificatie van het bewezen verklaarde wrijven over de clitoris als seksueel binnendringen.

De Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het hof voldoende gemotiveerd heeft. Het cassatieberoep wordt verworpen zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De straf van 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, blijft daarmee in stand. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 3 juni 2025.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf van 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04402
Datum3 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 oktober 2023, nummer 22-000738-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 juni 2025.