ECLI:NL:HR:2025:821

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
24/02939
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:274 BWArt. 6:248 lid 2 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging huur woonruimte stacaravan ondanks huurbescherming wegens bijzondere omstandigheden

De zaak betreft een geschil over de beëindiging van een huurovereenkomst voor een stacaravan op een woonerf. De huurders stelden zich op het standpunt dat de huurbescherming van artikel 7:274 BW Pro hen bescherming bood tegen beëindiging, mede gezien de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW Pro. De rechtbank en het gerechtshof hadden de beëindiging van de huurovereenkomst echter bevestigd.

De huurders stelden beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat de beëindiging had uitgesproken. De Hoge Raad heeft de klachten van de huurders beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad bepaalde een nieuwe einddatum van de huurovereenkomst, namelijk 1 september 2025, en veroordeelde de huurders om uiterlijk op die datum het gehuurde te ontruimen. Tevens werden de huurders veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee is de beëindiging van de huurovereenkomst definitief vastgesteld ondanks de bijzondere omstandigheden die de huurders aanvoerden.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurders wordt verworpen en de huurovereenkomst eindigt op 1 september 2025.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/02939
Datum23 mei 2025
ARREST
In de zaak van
1. [huurder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [huurder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [de huurders] ,
advocaat: M.W. van der Heijden,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder] ,
advocaat: P.A. Fruytier.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaken 10065309 \ CV EXPL 22-5079 en 10310412 \ CV EXPL 23-592 van de rechtbank Noord-Nederland van 8 november 2022 en 18 april 2023;
b. de arresten in de zaak 200.329.928/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2023 en 30 april 2024.
[de huurders] hebben tegen het arrest van het hof van 30 april 2024 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaat en mede door E.W.T. Kerckhoffs.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [de huurders] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.2
Nu de datum waarop het hof het einde van de huurovereenkomst heeft bepaald is verstreken, zal de Hoge Raad een nieuwe datum bepalen.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- bepaalt dat de huurovereenkomst eindigt op 1 september 2025 en veroordeelt [de huurders] uiterlijk op die datum het gehuurde te ontruimen;
- veroordeelt [de huurders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 361,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de huurders] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
23 mei 2025.