Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
27 mei 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor het vervaardigen en openbaar maken van seksuele afbeeldingen van de dochter van zijn ex-vriendin. Het hof had hem een gevangenisstraf opgelegd van vier weken, waarvan drie weken voorwaardelijk.
In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder over het bewijs van het vervaardigen en openbaar maken van de afbeeldingen. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat motivering van het oordeel niet noodzakelijk was vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.
Een derde cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond, maar vond dat gezien de lichte straf geen ander rechtsgevolg aan deze termijnoverschrijding verbonden hoefde te worden.
Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen en bleef het hofarrest in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.